Column Dick Hillenius

Recensie over tentoonstelling Natuur Historisch Museum Maastricht, N.R.C. Handelsblad 1980
Angela zei dat ik maar moest proberen over de stengels te schrijven. Als je naar de mooie bloementekeningen kijkt is dat minstens een onverwacht verzoek. Ik had al zo lang naar de bloemen gekeken en niets kunnen verzinnen om er aan toe te voegen - een verhaal over Angela zelf, dat ze die bloemen in haar naaste omgeving vindt - dat ik het onverwachte gretig aangreep. Ik dacht er opeens ook een soort diepere betekenis mee geraakt. Ik wed dat tien van de tien mensen die de aquarellen van Angela bekijken na afloop zullen antwoorden op de vraag wat ze gezien hebben ‘bloemen’. Sommigen zullen zelfs namen noemen, het is verbazend hoe zeer bij een verdwijnende natuur de kennis er van toeneemt. Maar stengels? Ja, nu je het zegt, ze zijn zeer verschillend. Strak, gebogen, met regelmatige zwellingen of overal even dik, vierkant, rond, op verschillende wijzen vertakt of enkelvoudig, glad, behaard, beschubd, groen, zilver, rood. De verschillen in stengel zijn minstens zo groot als die van de bloemen die er door gedragen worden. En de wetenschap vertelt ons dat die verschillen terug te vinden zijn tot in de kleinste details van de cellen, de chromosomen, de genen. Waarom dan die opvallende verschillen in de bloemen? Dat is toch niet om wat vage natuurminnaars te bevredigen? De bloem dat is reclame. Wie eenmaal als insect honing of stuifmeel naar tevredenheid van bloem A betrokken heeft zal gretig uitzien naar bloemen van hetzelfde merk. En zo worden de bloemen van A bestoven met stuifmeel van A en niet zo gauw met stuifmeel van de zo duidelijk anders gemerkte B of C (dat zou verspild stuifmeel wezen). Bloemen zijn marktleuzen. En omdat alles in de natuur conservatief is, tracht vast te houden wat het heeft, nooit de gok waagt van wat anders, nieuws - alleen in de jeugd, dan moet je wel - is het zinnig voor bloemen om zo duidelijk verschillend te zijn; wie eenmaal vaste klant is zal dat blijven. Maar de werkelijke verschillen, of de plant op eigen benen staat of zich om andere moet slingeren, of hij in vochtige omgeving leeft of het uithoudt in woestijnige droogte, of hij hard groeit en afgegraasd wordt of dat hij een langzame groei met doorns of vreemde klierafscheidingen moet beschermen, dat is af te lezen aan de stengels. Natuurlijk is er aan de bloemen ook wel het een en ander af te lezen. De familie bij voorbeeld. De groep waarmee de betreffende plant lang geleden tot dezelfde soort behoorde, in een tijd dat ongetwijfeld de stengels van alle individuen van die oersoort er hetzelfde uitzagen. Angela heeft zo goed gekeken dat hoewel ook bij haar aquarellen de bloem de lading lijkt te dekken, bij beter toezien de werkelijke lading te herkennen is. Tekenen is toekijken, toeëigenen.
Dick Hillenius

• • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Interview

Jaap Huisman in gesprek met Angela de Vrede, 12 maart 2004. Een initiatief van Guus Ros voor de Premsela Stichting en het B.N.O. in de serie 'Senior ontwerper gevraagd'.

Uit de stapel krantenpagina’s, brochures en boeken op de tafel vist illustratrice Angela de Vrede na het gesprek een onooglijk blocnotevelletje. ‘Dat was ik bijna vergeten,’ mompelt ze. ‘Zo begin ik namelijk. Ik sta te koken, krijg een inval en krabbel dan wat op papier. Of ik zit met een glaasje wijn in mijn hand wat te schetsen en dan komt er dit uit.’ Een adoptiekind dat zich los wil maken van zijn ouders, is het thema. De ruwe schetsen geven al een indicatie in welke richting het gaat: het nog gezichtsloze kind op de voorgrond en de ouders op de achtergrond. Tussen hen in een levensgrote schaar die de armen in de vorm van navelstrengen doorknipt. Schaar en handen zijn prominent aanwezig op de tekeningen: ze zijn, net als het niet ingevulde hoofd, een thema in haar werk. Angela spreekt haar naam uit, met een g die de tong van het verhemelte plukt. Of is het Anzjela? ‘Het mag allebei,’ lacht ze, ‘zolang het maar geen Angelique is, want dan hoor ik een kanten kraagje te dragen.’ Die harde g komt door de Duitse nabijheid van Limburg, vermoedt ze, hoewel er door haar geboorteplaats Maastricht veel meer Franse klanken in een naam horen door te dringen. ‘Eigenlijk heet ik Angèle.’

Wanneer ontdekte je dat je kon tekenen?
Dat werd ontdekt. Niet door de nonnen bij wie ik op school ging, want die hadden er niet zo’n gevoel voor. Die zouden nooit spontaan uitroepen dat ik uitblonk in tekenen. Mijn vader was tekenleraar, dus het zat wel in mijn genen, en mijn latere tekenleraren onderkenden ook mijn talent. Een gymnastiekwonder was ik daarentegen niet. Altijd weer de bok over, daar had ik geen zin in. Ik had dan ook een 3 voor gymnastiek. Maar tekenen, ja. Waar ik mee begon? Met verhalen. Ik verzon zelf verhalen en daar tekende ik dan bij. Om populair bij de andere leerlingen te worden en dat cijfer voor gymnastiek te compenseren, tekende ik agenda’s van medeleerlingen vol, en verzon de spelletjes op het schoolplein. Op school werd niet getekend. Ik herinner me dat ik eens vlak voor Kerstmis straf kreeg en dat ik vervolgens het kindje Jezus in de kribbe moest tekenen, Jezus in de tempel, terwijl hij over het water liep, doodging en naar de hemel opsteeg: zo tekende ik een heel jaar op het bord. Want die nonnen konden zelf niet tekenen.’

Ben je een makkelijke tekenaar?
‘Omdat ik het in mijn genen heb, is het belachelijk gemakkelijk voor mij. Het is niet leuk voor anderen, maar als kind won ik alle tekenwedstrijden. Het gaat heel snel. Ik werk graag figuratief en teken alles op maat, hoewel dat een handicap in je vak is, want je kunt niet zomaar een illustratie als fotootje gebruiken. Waar ik een hekel aan heb is de letterlijke vertaling van “Mien zit op de fiets en brengt een brief naar de brievenbus”, want dat beperkt je fantasie. Spelen met beelden is het leukste, niet de herhaling van het trucje dat ik van huis uit heb meegekregen. Toen ik bij de Volkskrant begon in 1980 heb ik de uitgetekende hoofden weggelaten, omdat er niks lelijker is dan zo’n kop, vond ik. Nadat de Grieken bewezen hadden dat het beste te kunnen, moetje dat niet meer herhalen. Als je zo’n gezicht tekent, wordt het snel reclameachtig.’

Zijn er ook dingen die je niet kan tekenen?
‘Vliegtuigen, autootjes.’ Een schaterende lach. ‘Ik ben echt een meisje. Anderen kunnen ook beter portretten tekenen dan ik.’

Was het voor de hand liggend dat een meisje als jij in de jaren zestig naar de stadsacademie van Maastricht ging?
‘Nee, dat was niet zo. Tegen mijn vader werd gezegd: laat die meid nou niet tussen die wilde schilders zitten, want daar komt niets van terecht. Laat haar naar de modeafdeling gaan, dan kan ze later nog kleren voor de kindertjes naaien.

Illustreren is een toegepaste kunstvorm. Had je niet liever vrij werk willen maken?
‘Soms maakte ik ook vrij werk en er is werk van mij verkocht op tentoonstellingen, maar ik beleefde juist plezier aan het kader van een opdracht. Iets proberen te maken binnen de tijd en binnen een vlak, dat is ontzettend moeilijk, maar het prikkelt mij zeer.’

Jouw tekeningen verwijden vaak naar de sixties en de platenhoezen uit die tijd.
’Ja, dat klopt ook. Yellow Submarine van de Beatles, daarmee kwam ik in aanraking in de hippietijd, toen ik van de academie naar Amsterdam ging, waar een wereld voor me openging. Ik werd als vaste illustratrice aangenomen bij het reclamebureau Prad - een reuzegezellige tijd - waar ik leerde mijn mond open te doen.. Het was gewoon een andere wereld dan de Limburgse, waar je altijd het gevoel had datje moest opkijken tegen degenen die meer te betekenen

Wie waren je voorbeeldende helden in die tijd?
‘Voor mij was Friso Henstra de absolute topper, omdat er smoel en power in zijn prenten zat. Peter Vos ook. De smoeltjes die hij bij die vogels tekende. Als ik dat zag, plantte ik mijn handen op mijn rug en sprak tot mezelf: dit mag je niet jatten.

Je doorbraak kwam toen je beginjaren tachtig voor de Volkskrant ging tekenen. De zaterdagbijlage ‘Het Vervolg’, het wetenschapskatern en later ook het reiskatern ‘Traject’. Hoe ging dat in zijn werk?
‘Ik was via het bloemenboek van drukkerij Rosbeek, dat verscheen bij de opening van de vernieuwde drukkerij, een beetje in de natuurwereld terechtgekomen. De vormgeving van die prachtige boekjes was in handen van Baer Cornet. Hij was ook vormgever voor Océ en dankzij hem mocht ik daar een paar jaarverslagen illustreren. Baer stimuleerde mij enorm, liet me boven mezelf uitsteken en op mijn tenen lopen. Door hem ging ik ook op de vormgeving letten. Voor mij was dat de emancipatie van de illustratie. Ineke Jungschleger, een goede vriendin van mij en verslaggeefster bij de Volkskrant, was bezig een verhaal te schrijven over Spawater en hoe dat via allerlei grondlagen en planten gefilterd werd om heerlijk water te worden. “Heb jij een idee om dat te illustreren?” vroeg ze me. “Ik ga het proberen”, antwoordde ik. Dat werd mijn eerste tekening voor de krant. Het enige figuratieve zijn de plantjes en de druppels die over de hele pagina vallen, wat in 1981 bijzonder was. Als je wilt opvallen, moet je de krant vol druppels plakken, vond ik. De vormgeefster van ‘Het Vervolg’, Lucy Prijs, zag er ook iets bijzonders in omdat het iets anders was dan de plaatjes die je zomaar in de krant plakt. Ik had het geluk iemand te treffen die daarvoor openstond.’

Je werd vooral bekend door je illustraties bij de wetenschapsbijlage.
‘Een bewuste keuze was dat niet.’ Angela bladert door de verzameling krantenpagina’s en haalt er een wetenschapspagina bij met blauwe, gele en groene driehoeken uit de tijd dat de krant alleen met steunkleuren wilde drukken om niet zo ordinair over te komen als de Telegraaf die toen op zaterdag mét full colour uitpakte. Een andere pagina begint met een reeks roze anjers en getekende apenkop¬pen eronder. ‘Het spannende bij de Volkskrant was dat je werd opgebeld, dat je oren werden volgeluld met waar het verhaal over ging en dat je gevraagd werd om binnen een dag met iets te komen. Mijn taak was het verhaal indikken en de essentie eruit halen, liefst zo minuscuul mogelijk, want ik mocht er maar één plaatje bij verzinnen en dan moet je je fantasie erover uitsproeien. Ik genoot daarvan, omdat ik graag met deadlines werk. Anders kan ik het niet, want dan begint het te stormen. Gisteravond nog zat ik mijn atelier te rommelen met een opdracht, terwijl ik die al drie maanden geleden kreeg. Ik werk het best met een pistool op de borst.’

Wat is volgens jou je best geslaagde tekening voor de krant?
Ze bladert door de stapel en haalt een voorpagina van ‘Traject’ ertussenuit, die grotendeels wordt beslagen door een rondbuitelende skater. Veel beweging, veel wit en weer ontbreekt het gezicht; dat is volgens haar de essentie. ‘En hij heeft vaart. Hij mist dat gemakzuchtige van een De Vrede die er weet een vierkantje heeft uitgehaald. Ik ben er trots op dat ik alles uit die pagina heb gehaald. Tja, en weet die vingers. Daar kom ik nooit van af, ben ik bang.’

De rijkdom aan kleuren is het bewijs dat de druktechnieken in de tijd dat je voor de krant hebt gewerkt, enorm zijn verbeterd. Dat lijkt me voor een illustrator een grote verleiding.
‘Het behelpen met kleuren was ook uitdagend. Ik tekende een keer een kaartspel, waarbij ik de ondergrond apart aquarelleerde in zwart, wit en grijstinten. Dan gebruik je een lichtbak waar rood overheen komt. Ik liet de ogen leeg, vulde die bij een volgende laag met blauw op en maakte daarna met geel het geheel af Zo bouw je een totaalkleurplaatje op. Ik begon met een potlood en ging daar later met een rotringpen overheen.’

Je ziet in die tekeningen voor ‘Wetenschap’ veel scheuren, lagen en breuken, alsof het onderwerp via een prisma moet worden belicht. Alsof )e verschillende perspectieven wilt aanboren.
‘Dat komt omdat ik meer wil overbrengen dan de eenvoudige boodschap en mijn illustraties ook wil vormgeven. Ik heb eens een opdracht gekregen om een illustratie te maken voor een school uit de jaren vijftig met een boel kindjes, wat allemaal in zwart-wit moest en met verschillende onderdelen, zoals een wenteltrap en een plein. Toen dacht ik: daar zet ik mijn vierkantje voor, waardoor je meer kunt zien dan een beeld. Ik wil voorkomen dat het een foto wordt. Eigenlijk maak je een strip in een tekening.’

Wanneer is iets af voor jou? Wanneer zet je er een punt achter?
‘Vanuit een vormgevoel laat ik de tekening open.’ Ze pakt er een illustratie bij die komt uit een jaarverslag van de Gasunie. De boodschap is het productieproces van de Gasunie, grofweg gezegd van boortoren naar kas en product. Die kassen bestaan dankzij gas en moeten dus op de tekening. Maar het fruit, de druiven in dit geval ook, en de boortoren op zee ook. Het gaat om ongelijksoortige ob¬jecten. Wat ik dan teken is een slinger, een driehoek, een kadertje en nog eens een kadertje waarin je al die elementen tegenkomt, en dan laat ik er bewust veel wit omheen. Allemaal vorm, meer moet het niet zijn.’

Bij een tekening lijkt het me van belang een focus te kieken waar je aandacht zich op richt. Bij jou lijkt alles in het beeld van belang. Het hele plaatje doet ertoe.
‘Dat zal wel de invloed van het stripverhaal zijn, zoals je dat in de illustratie voor de Gasunie ziet, waarin alle elementen in een vorm verpakt zijn. Als de vorm rust brengt, kunnen de voorstellingen erop uitgestrooid worden. Bij de boeken die ik met Midas Dekkers gemaakt heb, gaat het voortdurend over en, en, en, nooit over of, of, of. Dus dat klopt wel.’

Het gaat bij jou niet om het minder-is-meer principe, maar om het meer-is-meerprincipe.
‘Ja. Midas Dekkers met wie ik samen enkele kinderboeken heb gemaakt, heeft dat geweten, hoewel hij het wel leuk vond. De afspraak was dat ik eerst een tekening zou maken en dat hij daar zijn tekst op aan zou passen. Laat een beetje plek voor me open, riep hij, maar de ruimte werd steeds kleiner. Gelukkig kan hij zelfs in een klein stukje tekst veel educatie en humor kwijt.’

Je tekeningen ademen echt de tijdgeest; je hoort in het rijtje thuis van Veter Vos en ook van Jaap Drupsteen, die in de jaren zeventig veel grafisch werk voor de VPRO deed. Zie je de leerlingen nu anders illustreren?
‘Ja. Het heeft allemaal verwantschap. Je denkt datje uniek bent, maar de stijlen, ook de leefstijlen, horen bij elkaar. Je denkt individualistisch en onbespoten te zijn totdat je ziet dat anderen dat ook zijn. Ik wilde geen gezichten meet in mijn illustraties, omdat dat in de Griekse oudheid al zo sterk was. Dus liet ik de gezichten weg, terwijl ik dat echt goed kon. Wat ik nu zie, is dat het plaatje terug is, de behoefte om figuratief te werken. Door de computer kun je verschillende laagjes over elkaar heen leggen en hoef je de compositie van tevoren niet zelf te bedenken je groeide eigenlijk op met de abstractie. ‘De Maastrichtse academie was heel figuratief. Ik was blij daarvan verlost te zijn. Weg met het figuratieve, besloot ik. Laat ik open staan voor kunst en vormgeving. Er bestaat zeker een creatief conflict tussen abstractie en figuratie. Het is een voortdurend gevecht met jezelf om er eigenwijs iets anders uit te halen dan alleen een plaatje. Het is de sport de tekening vorm te geven. Ik probeer abstract en figuratief wel met elkaar te combineren. In het kinderboek dat ik zelf gemaakt heb, laat ik zien dat de natuur heel veel abstracties kent, meer dan je zou verwachten. Ik heb iets tegen onderwijzers die beweren dat het niet zo is, want je komt de gekste abstracties tegen. Spiegelingen en schaduwen bijvoorbeeld. Ik tekende de rimpelingen in het water, nadat er een steentje in is gegooid. Zo vervorm en fragmenteer ik de weerspiegeling van een kip in het water.’

Kenmerken voor je werk zijn banden en vingers, terwijl ik altijd dacht dat mensen die ledematen het moeilijkst vinden om te tekenen.
‘Ik moet altijd wijzen. Als ik een idee van richting in een illustratie moet verwerken, dan sla ik het pijltje over en dan komt et weer zo’n vinger. Voor de Volkskrant heb ik veel vingers gemaakt. Zoals de tekening over die arme gemanipuleerde muis met het oor op zijn rug. In dat oor steekt zo’n figuratieve hand. Soms kan ik dat niet uitstaan, maar dan komt ie weer. Blafff

Wat wilde je je leerlingen eigenlijk bijbrengen?

‘Ik weet niet of ze veel van mij geleerd hebben. Degenen die op een academie zitten, zijn toch al de besten op tekengebied en worden ook geconfronteerd met de besten. Daar word je goed van. Je kijkt bij een ander hoe hij of zij een opdracht opvangt. Ik Het de studenten verschillende benaderingen van een opdracht zien. Maar elke oplossing kan goed zijn. Daarom vond ik het ook zo vreselijk om punten te geven. Je kunt hooguit wat schaven aan de techniek.

Heeft het patroontekenen toch niet een beetje invloed op je werk gehad? De manier waarop je knipt, radert en figuren ontleedt?
‘Je bent de eerste die dat opmerkt. Daar zal ik eens over nadenken. Bij de modetekeningen moest ik heel nauwkeurig ieder knoopje en knoopsgat tekenen, op ieder naadje werd gelet. Wat me wel eens dwars zit, is dat toen ik die details in de tijd bij Prad juist wilde gebruiken, dat niet nodig was. Ik hoefde helemaal geen knoopjes of knoopsgaten te tekenen.’

De krant is verleden tijd. Wat zijn je plannen?
‘Hoewel de Volkskrant het nooit zo expliciet gezegd heeft, denk ik dat het voorbij is. Dat heeft te maken met de machtswisselingen. Lucy Prijs en vele anderen zijn weg. Maar het maalt wel weer in mijn hoofd, of het nu een kinderboek wordt of niet. Ik hou van dingen die niet kunnen, de mengeling van humor en absurditeit, beelden die vragen oproepen. Zoals de vraag waarom beesten geen wieltjes maar pootjes hebben.’